Links Ecologisch Forum
Nieuws
Artikels
Documenten
Forum
Agenda
Contact / Nieuwsbrief
Links
Opinie - Hoe ze van Haïti een puinhoop hebben gemaakt (22.1.10)

Voor natuurrampen kan de (wereld)politiek niet veranwoordelijk gesteld worden. De omvang van het menselijk drama die deze aardbeving veroorzaakt heeft echter alles te maken met (koloniale en neoliberale) politiek. Een en ander blijkt uit de vlijmscherpe analyse van Ashley Smith die ons door ATTAC Vlaanderen bezorgd werd.


Port-au-Prince is getroffen geworden door de verschrikkelijkste aardbeving sinds 200 jaar, met onoverzichtelijke schade en ontelbare slachtoffers als gevolg. Die aardbeving had een intensiteit van 7,0 op de schaal van Richter de hele nacht daarop tot ’s morgens volgden er 30 naschokken, alle van meer dan 4,5 intensiteit.
Huizen, hotels, hospitalen en zelfs de voornaamste openbare gebouwen van de hoofdstad – onder meer het presidentieel paleis - zijn verwoest geworden. Door de instorting van al die gebouwen kwam er een gigantische stofwolk vrij die over de stad hing en viel er een ware stofregen op de totaal verwoeste bodem.
Schattingen spreken van 100.000 doden, en dat voor een hoofdstad die 2 miljoen inwoners telt. Wie gespaard bleef, leeft in de straat uit schrik om terug te keren in de gebouwen die nog overeind staan .
Over de hele wereld proberen Haïtianen contact op te nemen met familieleden en vrienden maar de meeste telefoonlijnen in het land blijken verbroken.
Terwijl de overgrote meerderheid van de mensen op deze crisis gereageerd hebben door hulp te proberen bieden of met een gift, heeft de Amerikaanse fanaticus van Christelijk Rechts, Pat Robertson, zich doen opmerken met een weerzinwekkende racistische uitspraak. Volgens hem waren de Haïtianen vervloekt omdat ze een pakt met de duivel hadden gesloten om zich te bevrijden van de Franse slavernij, tweehonderd jaar geleden.
Alle belangrijke media hebben uitgelegd dat de aardbeving het gevolg was van tektonische platen die over elkaar zijn geschoven langsheen een breuklijn die onder Port-au-Prince loopt en dat de miserie en de onmacht van de regering van president Préval de ramp alleen hadden verergerd. Maar ze hebben niet alles gezegd.
« De verslaggeving over de aardbeving werd gekenmerkt door een haast totale ontkoppeling van de ramp met de sociale en politieke geschiedenis van Haïti.» stelt de Canadees Yves Engler, een met Haïti solidaire activist. “Ze herhalen dat de regering helemaal niet was voorbereid om het hoofd te bieden aan een dergelijke crisis. Dat klopt. Maar ze hebben niet uitgelegd hoe dat kwam. »
Waarom was volgens de burgemeester van de hoofdstad 60% van de huizen in Port-au-Prince slecht gebouwd en levensgevaarlijk, zelfs in normale omstandigheden? Waarom is er geen reglementering in verband met het bouwen in een stad die boven een tektonische breuklijn ligt? Hoe komt het dat de bevolking van Port-au-Prince van 50.000 inwoners in de jaren 50 gegroeid is tot vandaag 2 miljoen arme sukkelaars? Hoe komt het dat de staat compleet was overrompeld door de gebeurtenissen?
Om dat te begrijpen moet men kijken naar de tweede breuklijn, namelijk de imperiale politiek van de VSA ten aanzien van Haïti. De Amerikaanse regering, de Verenigde Naties en de andere mogendheden hebben de Haïtiaanse heersende klasse geholpen om het land te onderwerpen aan de neoliberale economische plannen, die de bevolking verarmd hebben, ontbossing hebben veroorzaakt, de infrastuctuur vernietigd hebben en de regering tot machteloosheid hebben gedwongen.
De breuklijn van het Amerikaanse imperialisme heeft de geologische breuklijn verergerd en een natuurramp veranderd in een sociale ramp.
Tijdens de Koude Oorlog hebben de VSA van 1975 tot 1986 de dictatoriale regimes van Papa Doc Duvalier en zijn zoon Baby Doc Duvalier gesteund, als tegenwicht voor Cuba.

Onder toezicht van Washington heeft Baby Doc in de jaren 70 en 80 de Haïtiaanse economie opengesteld voor het Amerikaanse kapitaal. De geïmporteerde Amerikaanse landbouwproducten hebben het land overspoeld en de plaatselijke landbouwbevolking geruïneerd. Honderdduizenden mensen hebben hun toevlucht gezocht in de sloppenwijken van Port-au-Prince, waar ze uiterst goedkope arbeidskrachten vormden voor de Amerikaanse sweat shops die in de taksvrije zones werden opgericht.
In de jaren 80 hebben de Haïtianen na een opstand de Duvaliers verjaagd en de hervormingsgezinde president Jean-Bertrand Aristide verkozen op basis van een programma van landbouwhervormingen, steun aan de boeren, herbebossing, investeringen in de infrastructuur, loonsverhogingen en syndicale rechten.
In reactie daarop hebben de VSA een staatsgreep gesteund die Aristide in 1991 verjaagde. In 1994, nadat Bill Clinton militairen naar het eiland had gestuurd, werd de verkozen president opnieuw geïnstalleerd maar op voorwaarde dat hij het neoliberale plan van de VS – “plan van de dood” noemden de Haïtianen het – zou uitvoeren.

Aristide heeft geprobeerd zich te verzetten tegen een aantal maatregelen van het VS programma, maar sommige heeft hij toch doorgevoerd, wat het hoopvolle vooruitzicht op hervormingen de grond heeft ingeboord. Maar op een dag hebben de VSA hun geduld verloren met Aristide, die tegenwerkte en weigerde zich volledig te onderwerpen, vooral toen hij tijdens zijn laatste regeringsjaar 21 miljard dollar vroeg als schadevergoeding voor zijn land. Toen hebben de VSA het land een economisch embargo opgelegd dat Haïti gewurgd heeft en de bevolking in een nog diepere miserie heeft gedompeld.
In 2004 heeft Washington met de leidende klasse samengewerkt door de doodseskaders te steunen die de regering omver hadden geworpen, en Aristide opgepakt en gedeporteerd hebben. De UNO heeft dan soldaten gestuurd om het land te bezetten waarna een marionetregering onder leiding van Gérard Latortue in het zadel werd geholpen om de neoliberale plannen van Washington verder uit te voeren.
De korte regeerperiode van Latortue was gekenmerkt door een onvoorstelbare corruptie. Hij en zijn aanhang hebben een groot deel van de 4 miljard dollar in hun zak gestoken, die de VSA en andere landen na de opheffing van het embargo in het land geïnjecteerd hadden.
In 2006, hebben de Haïtianen massaal René Préval tot president verkozen, sinds lang een aanhanger van Aristide. Maar Préval heeft zich niet erg kordaat getoond en is tenslotte gaan samenwerken met de plannen van de VSA, waarbij hij de groeiende sociale crisis heeft genegeerd.

In feite hebben de VSA, de UNO en de andere imperialistische mogendheden de regering Préval omzeild door het geld rechtstreeks door te sluizen naar de NGO’s. “Vandaag is het aantal NGO’s per inwoner het hoogste van de wereld” zegt Yves Engler. De regering van Préval is niet meer dan een scherm waarachter de echte beslissingen worden genomen door de imperialistische mogendheden die ze via door hen gekozen NGO’s doen uitvoeren.
De echte macht berust niet bij de regering van Préval maar bij het bezettingsleger van de UNO, gesteund door de VSA. Geleid door een Braziliaan, heeft die VN-bezettingsmacht de rijken beschermd en gecollaboreerd – of gedaan of hun neus bloedde – met de doodseskaders die de aanhangers van Aristide en zijn partij Lavalas terroriseren.
Die bezettingsmacht heeft niets gedaan tegen de ellende, de verloedering van de infrastructuur en de massale ontbossing, die de gevolgen hebben verergerd van een reeks natuurrampen: de cyclonen van 2004 en 2008 en nu dus de aardbeving.
In plaats daarvan hebben ze zich beperkt tot het spelen van politieagent temidden van een sociale catastrofe en hebben ze de klassieke misdaden begaan die altijd gepaard gaan met het optreden van een politionele macht. In zijn NACLA-rapport over de drie Amerika’s (NACLA= Noord-Amerika, Centraal- en Latijns Amerika) schrijft Dan Beeton “de stabilisatieopdracht van de UNO in Haïti (MINUSTAH), die in juni 2004 begon, was praktisch vanaf de eerste dag gekenmerkt door moordpartijen, verkrachtingen en andere gewelddaden door de UNO-militairen.”
De regering van Bush en nu deze van Obama hebben allebei misbruik gemaakt van de staatsgreep, de sociale crisissen en de natuurrampen om de neoliberale projecten van de VSA op te leggen.
Onder Obama hebben de VSA een deel (1,2 miljard) van de staatsschuld kwijtgescholden. Niet de hele schuld dus. Haïti heeft nog enorme sommen terugbetaald aan de Inter-Amerikaanse Bank voor Ontwikkeling. De annulering van een deel van die schuld maakt deel uit van de gewone mise en scène, die Obama’s werkelijke politiek in Haïti – die nog steeds dezelfde is - moet verbergen.
Obama is zelf opgetreden – in nauwe samenwerking met ex-president Bill Clinton, nu de speciale gezant voor Haïti van de UNO – om een economisch programma te doen uitvoeren dat gelijkt op dat in de andere Caraïben: toerisme, textielateliers en vermindering van de staatscontrole op de economie door middel van privatiseringen en deregulatie.
Meer bepaald heeft Clinton een plan geleid dat het noorden van Haïti moet omvormen tot een ruimte voor toerisme, zo ver mogelijk verwijderd van de sloppenwijken van Port-au-Prince. Clinton heeft de Royal Caribbean Cruise Lines ervan overtuigd om 55 miljoen dollar te investeren in een haven langs de kust van Labadee, verhuurd tot 2050.
Van daar uit hoopt de Haïtiaanse toeristische industrie tochten te organiseren naar het in de hoogte gelegen fort, de Citadel, en het Paleis Sans Souci, beide gebouwd door Henri Christophe, een van de leiders van de slavenopstand van Haïti. Volgens de Miami Herald, behelst het 40 miljoen dollarplan de ombouw van het vreedzame stadje Milot, de uitvalbasis naar de Citadel en het Paleis Sans Souci, tot een toeristendorp, inclusief animatie, kunstgalerijen, ambachtmarkten, restaurants en geplaveide straten. De toeristen zullen met autobussen worden vervoerd, via een omweg om de verkeersstop van Cap-Haïtien te vermijden, tot aan de baai, langs de pittoreske aanplantingen van de boeren. Vanaf Milot kunnen ze dan te voet of te paard de Citadel bezoeken … die sinds 1982 wereldpatrimonium is.
Aangezien de Royal Caribbean zinnens is om het grootste cruiseschip van de wereld in te zetten, wat de vraag naar uitstappen zal aanzwengelen, promoot de Haïtiaanse toeristische industrie de ontwikkeling van het ecotoerisme, archeologische uitstapjes en demonstraties van voodooritussen.
Terwijl Pat Robinson de grote slavenopstand van Haïti koppelt aan een pact met de duivel, spant Clinton zich in hem te reduceren tot een valkuil voor toeristen. Ondertussen behelzen de plannen van Clinton voor Haïti een uitbreiding van de sweatshops zodat men kan profiteren van de goedkope arbeidskrachten aangevoerd vanuit de stedelijke sloppenwijken. De VSA hebben de import vanuit Haïti taksvrij gemaakt om de productie in die ateliers her op te starten.
Naar aanleiding van een bliksembezoek aan een textielfabriek van de beroemde Cintas Corp heeft Clinton de lof gezwaaid van de opportuniteiten die deze sweatshops bieden. Hij heeft aangekondigd dat George Soros 50 miljoen dollar heeft geschonken voor een nieuw industriepark voor die ateliers, wat 25.000 arbeidsplaatsen zou opbrengen. Clinton verklaarde daarbij op een persconferentie dat de Haïtiaanse regering “meer arbeidsplaatsen” zou kunnen scheppen “als ze de kostprijs van de investeringen en de huur zou verlagen.”
De oprichter van TransAfrica, Randall Robinson verklaarde voor het progressistische radiostation Democracy Now “Haïti heeft geen behoefte aan dat soort investeringen. Het heeft kapitaalinvesteringen nodig, investeringen die het in staat stellen om economisch zelfstandig te worden. Het heeft investeringen nodig om zich te kunnen voeden.”
Een van de oorzaken waarom Clinton die sweatshops zo makkelijk heeft kunnen promoten is dat de door de VSA gesteunde staatsgreep elke vorm van verzet heeft uitgeroeid. Ze hebben zich ontdaan van Aristide en komaf gemaakt met zijn manie om het minimumsalaris te verhogen. Ze hebben hem gedwongen om in ballingschap te gaan. Ze hebben zijn achtergebleven aanhangers geterroriseerd en ze hebben zijn partij, Fanmi Lavalas, de populairste partij van het land, verboden om deel te nemen aan de verkiezingen. Bovendien heeft het regime dat uit de staatsgreep is ontstaan de vakbondsmensen aangepakt die in de sweat shops actief waren.

En zo kon Clinton aan de zakenlui verklaren dat « het politieke risico in Haïti het kleinste is dat ik ooit in mijn leven heb gezien.”
Op die manier heeft Obama, in het voetspoor van de presidenten die hem vooraf zijn gegaan, de bevoorrechte klassen geholpen, de multinationals gesteund die wilden profiteren van de goedkope arbeidskrachten, de macht van de Haïtiaanse overheid om te reguleren ingeperkt en elke vorm van politiek verzet onderdrukt.
De rechtstreekse gevolgen van die politiek zijn een onmachtige Haïtiaanse overheid, een geruïneerde infrastructuur, risicovolle gebouwen en een zwarte ellende die, gekoppeld aan de tornado’s en nu ook de aardbeving, een natuurramp omgevormd hebben tot een maatschappelijke catastrofe.
Iedereen moet de hulpverlening aan Haïti steunen, maar niemand mag dat doen met oogkleppen. Zoals Engler het stelde: “de hulp voor Haïti is altijd al gebruikt ten voordele van de imperialistische belangen. Dat blijkt overvloedig als men kijkt naar hoe de VSA en Canada de regering van Aristide hebben behandeld in vergelijking met de behandeling van de regimes die uit de staatsgreep zijn voortgekomen. De VSA en Canada hebben Aristide uitgehongerd door praktisch alle hulp op te schorten. Na de staatsgreep echter hebben ze de financiële kranen rijkelijk opengedraaid om de meest reactionaire krachten van de Haïtiaanse samenleving te steunen.
We moeten ons niet verkijken op de rol van de internationale NGO’s. Terwijl talloze NGO’s de crisis trachten op te vangen, verschaffen de VSA en andere regeringen hulp die bedoeld is om de zelfstandigheid van het land te ondermijnen. De internationale NGO’s hebben geen enkele rekenschap af te leggen aan de regering van Haïti en ook niet aan het volk. Elke hulp die langs die NGO’s passeert verzwakt alleen maar de weinige greep die de Haïtianen nog op hun eigen samenleving hebben. (Niet alle NGO’s zijn over dezelfde politieke kam te scheren; er zijn honderden NGO’s actief in Haïti en het gaat dus niet over 11.11.11., Oxfam Solidariteit, CNCD, enz; het gaat wel over honderden NGO’s die zich te vaak als slippendragers gedragen van politiek beleid of van IMF en Wereldbank omkaderd door het “morele gelijk” waarbij de “shockdoctrine” (inclusief rampen zoals aardbevingen) steeds opnieuw toegepast wordt; nota van Attac)

De regering van Obama zou een einde moeten stellen aan de verbanning van Aristide en hem toelaten terug te keren naar Haïti. Ze zou ook het verbod moeten opheffen van zijn politieke partij, Fanmi Lavcalas om deel te nemen aan de verkiezingen. Aristide en zijn partij zijn nog steeds de populairste politieke kracht in het land. Ze zouden moeten kunnen deelnemen aan een vrije en democratische verkiezing.
De VSA moeten er ook mee ophouden de Haïtianen te deporteren die gevlucht zijn uit hun land dat verscheurd wordt door de crisis, en ze een tijdelijk vluchtelingenstatuut verlenen. Dat zou het de Haïtianen die gevlucht zijn voor de politieke en sociale die hun land getroffen heeft sinds de staatsgreep, de tornado’s en de huidige aardbeving, mogelijk moeten maken om in de VSA te blijven.
Maar bovenal moeten we eisen dat de VSA ophouden met hun neoliberale programma’s. De VSA hebben decennia lang Haïti geplunderd. Het is niet Haïti dat bij de VSA en andere landen in de schuld staat. Het omgekeerde is waar. De VSA, Frankrijk, Canada en de Verenigde Naties zijn het Haïtiaanse volk schadevergoeding verschuldigd voor de plundering van hun land.
Met die schadevergoeding en met meer politieke ruimte zouden de Haïtianen kunnen beginnen aan de opbouw van hun eigen politieke en economische toekomst, zoals ze die 200 jaar geleden droomden bij hun grote slavenopstand.
Ashley Smith schrijft voor Socialist Worker, waarin dit artikel oorspronkelijk werd gepubliceerd. Hij is bereikbaar op ashley05401@yahoo.com
Vertaling: Koen Dille.





Wachtmee (op de milleniumdoelstellingen)






Stop oorlogstop












Campagne voor meer Bossen in Vlaanderen









Witte Woede - Betoging 8 juni 2010